UK Special: Uit de Unie, Uit de Mode

Ooit was Groot-Brittannië het kloppend hart van de wereldwijde mode-industrie, aangedreven door stoommachines, katoen uit India en de vroege globalisering. Maar daar lijkt anno vandaag weinig van over dan nostalgie en onzekerheid. De Britse mode-industrie is nog wel een miljardenindustrie, maar Brexit en het ontbreken van nieuwe iconen drukken zwaar op het merk ‘Made in Britain’.

Ooit was Groot-Brittannië het kloppend hart van de wereldwijde mode-industrie, aangedreven door stoommachines, katoen uit India en de vroege globalisering. Maar daar lijkt anno vandaag weinig van over dan nostalgie en onzekerheid. De Britse modeindustrie is nog wel een miljardenindustrie maar Brexit en het ontbreken van nieuwe iconen drukken zwaar op het merk ‘Made in Britain’. 

Wie Bond Street binnenwandelt, betreedt een theater van luxe. Links glanzen de ramen van Chanel en Hermès, rechts hangen de vlaggen van Louis Vuitton en Dior. Het zijn namen die niet Brits zijn, maar hier de toon zetten. Toch is er ook dat andere verhaal: de Union Jack wapperend boven Burberry’s flagship store, de bescheiden façade van Paul Smith, de klassiek gestileerde ramen van Mulberry en de discrete chic van Smythson, bekend om zijn leren accessoires. Een paar straten verder, op Savile Row, fluistert de traditie van maatwerkpakken. Kilgour, Huntsman en Gieves & Hawkes staan er naast elkaar als wachters van een ambacht dat decennia modegolven heeft overleefd. Hier komen vermogende Amerikanen en Aziatische zakenlieden om zich een pak op maat te laten aanmeten. Toeristen uit China stappen binnen bij Burberry of Vivienne Westwood, terwijl jonge Londenaren in AllSaints-jassen en sneakers van JD Sports passeren. Midden-Oosterse families verlaten Selfridges met tassen vol designerstukken, waar Harrods niet zelden dezelfde klanten ziet vertrekken in een taxi vol dozen. Het decor straalt vitaliteit uit. En dat is niet misleidend: de Britse kledingconsumptie bedraagt jaarlijks bijna £67 miljard (€78 miljard) – de derde markt ter wereld, na de VS en China, ruimschoots vóór Frankrijk en Italië.

Toch knaagt er iets: hoeveel van deze omzet komt nog van Britse merken? Volgens de Financial Times is dat aandeel inmiddels marginaal. Waar Londen ooit het centrum van de textielhandel was, domineren vandaag vooral buitenlandse conglomeraten het straatbeeld. “We verkopen in Londen meer Franse tassen dan Britse,” aldus een manager van Harrods in de krant. De vraag die daaronder sluimert: wat betekent Britse mode vandaag nog, behalve als decor?

 

TIJDLOOS

Dat er zoiets bestaat als een Britse stijl, staat buiten kijf. Waar Franse mode frivool is en Italiaanse mode flamboyant, is de Britse toon ingetogener, formeler. De trenchcoat, de tweedjas, het maatpak en de wollen ruit: ze definiëren een stijl die meer over duurzaamheid dan over verrassing gaat. Mode die niet verleidt door het nieuwe, maar geruststelt met het blijvende. “Conservatief, maar niet ouderwets,” omschreef de Britse ontwerper Paul Smith het ooit in The Guardian. “We maken kleren waar mensen in kunnen leven, niet alleen in poseren.”

Die terughoudendheid blijkt een kracht. Terwijl de wereld overspoeld wordt door fast fashion, logomania en digitale hype, kan een Burberry-trenchcoat van vijftig jaar oud nog altijd gedragen worden zonder ironie. Maar het is tegelijk een vloek: stabiliteit verkoopt, maar het maakt het moeilijker om internationaal als vernieuwend te gelden.

Het fundament van deze mode ligt in de negentiende eeuw. De stoommachine, katoen uit India en Egypte en de fabrieken van Lancashire maakten Groot-Brittannië tot textielwerkplaats van de wereld. Manchester en Leeds waren epicentra van productie, Liverpool de doorvoerhaven. In 1900 kwam een derde van alle katoenproducten wereldwijd uit Groot-Brittannië. “We kleedden de wereld, en verdienden er fortuinen aan,” schreef de BBC in een historische reconstructie. Maar de globalisering na 1945 en de outsourcing naar Azië maakten korte metten met die dominantie. Waar Italië de productie grotendeels in eigen land hield en Frankrijk investeerde in een luxecosysteem van leerlooierijen en parfumhuizen, bleef het Verenigd Koninkrijk achter met losse merken en een versnipperde industrie.

 

DE GROTE DRIE

Wat resteert zijn enkele huizen die nog internationaal gewicht in de schaal leggen. Burberry is daarvan het bekendste. Ooit begonnen met de uitvinding van de gabardine door Thomas Burberry in 1856, werd het merk symbool van Britse functionaliteit en militaire chic. De trenchcoat groeide uit tot uniform van officieren in de Eerste Wereldoorlog, en decennia later tot stijlicoon van sterren als Humphrey Bogart. In 2024 noteerde Burberry een omzet van £2,97 miljard (€3,46 miljard) en een nettowinst van £271 miljoen (€316 miljoen). Het merk telt wereldwijd 9.200 werknemers en bijna 400 winkels. Toch zijn de zorgen groot: in mei 2025 rapporteerde het bedrijf een verlies van £66 miljoen (€77 miljoen) en kondigde het mogelijk 1.700 banen te schrappen. “We moeten terug naar onze kern, naar de sjaals en de trenchcoats,” verklaarde CEO Jonathan Akeroyd tegen de Financial Times.

Alexander McQueen is het tegengestelde: jonger, experimenteler, dramatischer. Opgericht in 1992 door Lee McQueen groeide het label uit tot een van de meest spraakmakende huizen van Londen. Sinds zijn dood in 2010 wordt het huis geleid door opvolgers, recent door de Ierse ontwerper Seán McGirr. Het label is sinds 2001 onderdeel van de Franse groep Kering en behaalde in 2020 een omzet van ongeveer €500 miljoen (£438 miljoen). En dan Stella McCartney, die in 2001 besloot een luxemerk op te bouwen zonder leer en bont. Critici lachten haar aanvankelijk weg, maar McCartney bleek visionair. In een tijd waarin consumenten duurzaamheid eisen, staat haar naam voor een ethisch alternatief. Samen vormen deze drie huizen een afspiegeling van het Britse landschap: erfgoed, experiment en idealisme. Maar geen van hen is groot genoeg om in zijn eentje een sector te dragen.

 

BYE-BYE, BRITAIN!

Brexit heeft de zwakte blootgelegd. Voor export naar de EU betalen Britse modebedrijven nu importtarieven van 8 tot 12 procent. Douaneprocedures vertragen leveringen en verhogen kosten. Volgens de Guardian verliezen kleinere labels hierdoor soms meer dan 20 procent marge.

Nog ingrijpender was de afschaffing van belastingvrije aankopen in 2021. Toeristen uit China en de Golfstaten, goed voor een aanzienlijk deel van de luxeverkoop, weken massaal uit naar Parijs en Milaan. Volgens de British Retail Consortium kost dit de Britse luxesector jaarlijks £1,8 miljard (€2,1 miljard). Mulberry sloot flagships, Burberry klaagde openlijk over het verlies van toeristenklanten. Ook de arbeidsmarkt lijdt. Jonge ontwerpers uit Europa, ooit vanzelfsprekend onderdeel van Londense mode, moeten nu visa en bureaucratie trotseren. “Londen is altijd een magneet geweest voor talent,” zei Caroline Rush van de British Fashion Council in de Financial Times. “Maar nu voelen ontwerpers zich sneller aangetrokken tot Parijs of Milaan.”

 

EEN TOEKOMST IN BEHOUDENDHEID

Toch is het beeld niet enkel somber. Volgens cijfers van de British Fashion Council draagt de sector nog altijd £29 miljard (€33,8 miljard) per jaar bij aan de Britse economie. Luxe-export steeg in 2024 zelfs naar £56 miljard (€65,3 miljard) en wordt volgens Walpole in 2028 geschat op £125 miljard (€145,8 miljard). London Fashion Week blijft een vitrine voor jong talent, en opleidingen als Central Saint Martins en het London College of Fashion leveren nog steeds ontwerpers af die wereldwijd doorbreken.

Britse mode is traag, maar dat is haar kracht. Burberry’s trenchcoat is nog steeds actueel. Stella McCartney sluit aan bij een consument die duurzaamheid eist. McQueen laat zien dat creatieve dramatiek internationaal resoneert. Maar zonder een sterke kapitaalstructuur, zonder toeristen en zonder nieuw beleid dreigt de trots langzaam uit te hollen. “We zijn niet dood,” schreef de Financial Times, “maar we zijn wel kleiner geworden.” De Britse mode is zo een spiegel van het land zelf: geworteld in een glorieus verleden, worstelend met een moeizaam heden, maar te eigenzinnig om te verdwijnen.